ER NA

Als de dood nú was gekomen
had ik hem begroet als een jongere broer,
die Twist and Shout wil horen als ik
de Negende Symfonie van Mahler op heb staan;
en met een glimlach had ik aan de dood
mijn plaats afgestaan, en was ik licht, zo licht
gestorven, och, zoals
het bevroren oppervlak van sneeuw zich breken laat.
De glimlach, die wij op dingen kunnen zien, die nooit
kúnnen lachen: een boeddhabeeld, de maan,
de oostelijke horizon, zo vredig, dat
ik goddank er zelf niets van begrijp.

Dit gedicht van Pé Hawinkels (Hoensbroek 1942 – Nijmegen 1977) is in 1964 gepubliceerd in het tijdschrift Raam. Het is ook te vinden in zijn Verzamelde gedichten, in de beroemde bloemlezing van Gerrit Komrij en sinds 2 oktober 2017 prijkt het op een ruit van Trianon. Dit café aan de Berg en Dalseweg, een paar honderd meter van zijn huis, is een van de horecagelegenheden die Hawinkels graag bezocht.
Dat hij opgenomen is in de reeks literaire bakens in Nijmegen is volkomen terecht. In de Waalstad, waar hij in 1960 komt studeren en tot zijn plotseling overlijden heeft gewoond, wordt hij de schrijver, dichter en vertaler van een omvangrijk en divers oeuvre. Dat hij ook een bekend personage in de Nijmeegse culturele scene is geweest, verdient in dit verband evenzeer vermelding.

In Nijmegen zijn dan ook na zijn dood de schijnwerpers verschillende keren op hem gericht. Het begint met Moet dit een wereldbeeld verbeelden? Van en over Pé Hawinkels (SUN, 1979), gevolgd door zijn Verzamelde gedichten (De Stiel, 1988), waarvan het verschijnen gepaard gaat met een manifestatie in O42 en een expositie in het Nijmeegse Museum Commanderie van St. Jan. Als hij 65 jaar zou zijn geworden, geeft De Wintertuin aandacht aan zijn songteksten – alle dertien goed door zijn vriend Herman Brood op de plaat gezet – en neemt Museum Het Valkhof hem op in het boek bij de expositie over de jaren ’70 in Nijmegen. Over zijn bijzetting bij de “krejatieve aksiejaren” zet Will Tromp overigens wel vraagtekens in zijn bijdrage ‘Is Pé Hawinkels wel seventies genoeg?’.
Bij gelegenheid van zijn 75ste geboortejaar wordt in 2017 in (waar anders dan) Nijmegen ‘de Herfst van Hawinkels’ georganiseerd met muziek, lezingen, de wandeling ‘Rondom Hawinkels’, uitreiking van de naar hem genoemde prijs, publicatie van de bibliofiele uitgave 40 jaar n.P. en de onthulling van zijn literair baken in Trianon.

Voor Hawinkels is ER NA een a-typisch gedicht: geen breed uitwaaierend barok vers maar bijna parlando, geschreven in de ik-vorm, intiem, eenvoudig, ontroerend, helemaal tegengesteld aan zijn adagium: ‘Ik breng mijzelf niet onder in een vers; ik schrijf niet over eigen gevoelens, ervaringen; liever geen ik-lyriek zoals de Tachtigers; ik schrijf anti-individuele poëzie’. Ondanks zijn eenvoud is ER NA intrigerend. Is ‘een jongere broer’ de dood, is de ik ‘een jongere broer’? Als Hawinkels het schrijft, is hij 22; jeugdig doodsverlangen?

Twist and Shout’, geschreven in 1959, door velen gecoverd, werd een iconisch rock and roll- nummer, zeker toen The Beatles het als single uitbrachten in 1964, het jaar waarin Hawinkels zijn gedicht schreef. De Negende Symfonie van Mahler geldt even iconisch in het klassieke genre. Toen Mahler het in waanzinnige haast schreef, was hij dichtbij de dood. ’Ik zeg hierin wat ik allang op de lippen heb’ schreef hij. ‘Vaarwel, wrede wereld’ voegt hij aan het einde van de partituur toe. De opvoering in 1911 zou hij niet meer meemaken. Niet alleen voor hem, ook voor andere collega-componisten kleefde aan de Negende Symfonie het noodlot dat sinds de dood van Beethoven nadat hij zijn Negende (in 1824) had geschreven , bekend werd als het 9e Symfonie-syndroom. Bruckner en Glazoenov bijvoorbeeld overleden tijdens het werk daaraan, en Dvōrák en Vaughan Williams kwamen niet voorbij hun Negende.

In ER NA staan de beide muziekwerken tegenover elkaar: Twist and Shout als het springlevend lied van de eeuwige jeugd, De Negende van Mahler als afscheid van alles en iedereen, angstaanjagend tegelijk, maar naar het einde toe in het adagio: hemels, ontroerend, van een onaardse schoonheid met zijn wegstervende violen. Zo verloopt ook het gedicht zelf: van (westers) rumoer naar (oosterse) stilte, ‘zo vredig dat ik er goddank zelf niets van begrijp’ eindigt Hawinkels die schijnt te kiezen voor het laatste. Wel moge niet onvermeld blijven, dat hij overlijdt op de dag dat Elvis Presley King of rock and roll, zijn laatste adem uitblaast. Wien de goden liefhebben, nemen zij jong tot zich.

Bron
Pé Hawinkels, Verzamelde gedichten, De Stiel (1988)

Voor meer informatie zie hier