Een jaar in scherven

De gelukkige helft van het
leven droeg een plaatsnaam.
Nijmegen. Ik hield van de
stad, voelde me er thuis.
Ze verenigde de zwier van het
zuiden met de zinderende
activiteit van de jaren
zestig. Het ene spandoek was
nog niet opgeborgen of het
volgende werd al beschilderd.
Iedere dag weer werd de wereld
op haar kop gezet.


Koos van Zomeren ( 1946) behoort tot de productiefste en meest veelzijdige schrijvers van ons taalgebied. Zijn werk, doorgaans geëngageerd en voelbaar autobiografisch, bestaat uit gedichten, dagboeken (journaals), thrillers, romans, beschouwingen, interviews en columns. Naast Herwijnen, belangrijk dorp uit zijn jeugd, en de SP zijn in Van Zomerens leven en werk waarmee zijn hond Stanley onlosmakelijk verbonden is, natuur en landschap belangrijke thema’s. Zijn werk wordt gekenmerkt door vindingrijkheid, een groot stilistisch vermogen en een als ironie vermomde en soms aan de oppervlakte tredende felheid.

Hij debuteert op negentienjarige leeftijd met de dichtbundel De Wielerkoers van Hank (1965). Na de drie romans die hij in de jaren zestig schrijft, stopt hij – tijdelijk – met het schrijven van fictie. Vanaf 1966 werkt hij vijf jaar als redacteur/journalist bij dagblad Het Vrije Volk, eerst in Arnhem en vanaf 1967 in Nijmegen waar hij politiek actief wordt. Hij verlaat ‘het zinkende schip van de sociaal-democratie’, laat zich omscholen tot metaaldraaier en gaat de fabriek in. Van 1970 tot 1975 maakt hij deel uit van diverse radicaal linkse splintergroeperingen waaronder de KEN/ml, die later de Socialistische Partij (SP) gaat heten. Van Zomeren, een van de grondleggers, behoort in 1974 tot de eerste lichting SP-gemeenteraadsleden en is redacteur van De Tribune, het partijblad. In 1975 breekt hij met deze partij en met de politiek, fysiek en psychisch uitgeput, ook al door zijn werk in de Nijmeegse gemeenteraad.

In 1976 wordt Van Zomeren verslaggever bij Nieuwe Revu. Bijzonder ironisch zijn zijn artikelen over het leven van Van Agt onder de titel ‘Dagboek van een Zondagskind’. Sinds 1977 publiceert Van Zomeren een flink aantal succesvolle thrillers en detectives. In de politieke thriller Haagse lente en het vervolg Minister achter tralies (beide uit 1981) verwerkt hij zijn eigen politieke verleden. In 1983 keert hij terug naar ‘de republiek der letteren’ met Otto’s Oorlog, zijn ‘tweede literaire debuut’.

Zijn ervaringen in de vroege SP staan beschreven in De witte prins (1985). Die stad, dat jaar, een roman met aantekeningen (2009) sluit daarbij aan. Het handelt over Van Zomerens maoïstische jaren in swinging Nijmegen, de kraamkamer van de SP en de revolutie die niet kwam. ‘Als ik met Arnhem getrouwd ben, dan was Nijmegen m’n liefje. God, wat een avontuur was die stad.’ (De Gelderlander).

Hij geeft zich uitvoerig rekenschap van zijn links-radicale politieke verleden in het dagboek dat hij in 1987 bijhoudt, Een jaar in scherven (1988) waaruit de tekst afkomstig is die is aangebracht op de zijgevel van het Roze Huis Nijmegen, het monumentale linker hoekpand bij de entree van de St. Antoniusplaats. Dit was van 1982 tot 2011 het onderkomen van het vrouwendocumentatiecentrum De Feeks, tegenover het voormalige pand van de Nijmeegse Vereniging ter Bevordering van Vrouwencultuur De Feeks.

Bron
Koos van Zomeren, Een jaar in scherven, Privé-Domein, nummer 150, De Arbeiderspers 1988

Voor meer informatie zie hier